
Bus 263 van Terminal Praça Biblia naar mijn woonwijk São Judas Tadeu in de Braziliaanse stad Goiãnia is overvol. Op het busstation verdringen tientallen mensen zich om binnen te komen. Niet iedereen kan mee. Een vrouw en een man van middelbare leeftijd met gedroogd bloed doorlopen wit verband aan schouders en armen worden bijna samengeperst. Ze hebben beiden een motorhelm in een hand. Het is duidelijk. Slachtoffers van een verkeersongeluk, weer met een motor, en na ziekenhuisbezoek op weg naar huis. Geen geld om een taxi te nemen, ze moeten in de propvolle bus en staan met hun verse verwondingen achterin tegen een uitgang gedrukt. De vrouw heeft het zichtbaar moeilijk, ze vergaat van de pijn. Maar er is eenvoudigweg geen millimeter ruimte.
Ik heb geluk, weet een zitplaatsje achterin bij het raam te bemachtigen. Het is dinsdagmiddag 13 september tegen drieën, de heetste uurtjes van de dag zijn begonnen. Mijn mobiel gaat. Verdorie. Het is de personeelschef van Biss Inn Hotel, dat op steenworp afstand van het busterminal Praça Biblia ligt. ´´Hallo? Ja, ik wil je laten weten dat je niet meer hoeft te werken Je bent toch in training? Kom maandag aanstaande langs om geld en je werkboekje op te halen. Goedendag.`` Hè? Na drie dagen al ontslagen. En dan op zo´n manier. Het verbaast me eigenlijk niets, toch komt de mededeling aan. IJskoud op het hete dak van de bus.
Begin september. Een bijeenkomst van buitenlanders op een donderdagavond in een fraai café-restaurant in de betere wijk Marista in Goiãnia. Buitenlanders die in Goiãnia en omstreken werken en wonen. Opgezet door de internationale organisatie InterNations, die in 250 steden in de gehele wereld actief is met de bedoeling om mensen met elkaar in contact te brengen. Ik word er op geattendeerd door ene Edward Simmelink (staande op foto linksboven). Een 41-jarige geboren Nijmegenaar die nog geen jaar in Goiãnia woont, er een Braziliaanse vriendin heeft en die ik via deze blog heb leren kennen. Op de bijeenkomst maak ik nader kennis met Edward. Mooie gozer. Over de twee meter lang en mager. Met een prettig gezicht, zo zegt mijn moeder dat altijd. Hij is doctorandus in de economie en logistiek en werkt in het Biss Inn Hotel. Daar regelt hij de lopende zaken voor de grote baas, die samen met zijn familie op de zesde en bovenste etage van het hotel maar liefst elf kamers bezet en zich niet of nauwelijks laat zien op de werkvloer. Edward neemt de uitdaging aan om ´iets van het hotel te maken, want er moet een hoop veranderen.` Ik opper of hij wellicht een baantje voor mij heeft. Hij zal kijken, belooft hij. Vrijdag 9 september belt Edward. ´´Wanneer kan je beginnen? We hebben iemand nodig om het ontbijt te regelen. Maandag? Oké.`` Luttele minuten belt hij terug. ´´Zou je morgen al kunnen, want we komen iemand te kort.`` Ook geen punt.
Zaterdagochtend bus ik naar Biss Inn. Niet wetende wat me te wachten staat. Ontbijt regelen. Dat lijkt me wat. Het wordt echter heel anders dan ik me voorstel. Heel anders ook dan het hotel zich voorstelt. Meehelpen met opzetten, borden afruimen, geen probleem. Maar mijn idee is managen, regelen, verbeteren. Ik maak dan ook driftig en netjes een dagrapport over wat er mankeert aan het ontbijt en de ontbijtzaal. Het is niet niks. Kruimels op de vloer, drie tafelkleden met gaten, toiletten niet schoon, sommige broodjes te oud en zo hard dat het een schande is. Klanten klagen en terecht. Genoeg werk aan de winkel. Twee jongens maken het ontbijt klaar. Dat begint om vier uur ´s ochtends. Zo vroeg red ik het niet, de eerste bus vanuit mijn woonwijk vertrekt om vijf uur. Maar er is tijd genoeg. Het ontbijt is doordeweeks van zeven uur tot half tien en in het weekeinde van zeven uur tot half elf. De variëteit is niet slecht. Veel zoet, diverse soorten brood, verse fruit, verwarmde zoute hapjes, ham, kaas, geklutste eieren, warme worstjes, verse koffie, warme melk, warm water om thee te maken en twee soorten sapjes.
Als het ontbijt ten einde loopt en er bijna niemand meer in de zaal is, pak ik snel een bezem en veeg broodresten en ander vuil bij elkaar. De tafels hebben zulke lange kleden dat ze bijna de vloer raken. Geen mogelijkheid om onder die tafellakens te spieden zonder ze op te tillen. Ik veeg stiekem al het vuil onder één tafel. Ben benieuwd of het er maandagochtend vijf uur nog ligt. Een eerste test. De personeelschef roept me. Het is tegen half elf, het ontbijt loopt op een einde. Of ik echt niet eerder kan komen dan half zes. Neen. Een eerste teken aan de wand. Het tweede teken is de manier waarop de keukenhulpen mij ontvangen. Niet dus. Het lijkt er sterk op dat ze me zien als een indringer. Ik werk ook niet mee aan de afwas. Maar zie wel toe hoe het gebeurt. In een zijkeuken, die veel te klein is. Waar geen plek is om de overgebleven ontbijtspulletjes netjes neer te zetten. Het is er echt vies. Gevolg is dat schalen met meloenschijven en broodjes op elkaar worden gestapeld. Afdrogen? Jawel, met een tafellaken! Droogdoeken zijn niet voorhanden. Er blijft naar mijn mening verder veel te veel over van het ontbijt. Pasteitjes worden ingevroren en volgende dag ontdooid in een magnetron. Veel fruit en stukken brood gaan grote plastic afvalemmers in, een boer haalt het af om aan zijn varkens te voeren.
De eerste werkdag is vooral een kennismaking. Het levert ook motivatie op om er lekker tegen aan te gaan. Want er is zeker wat van het ontbijt, toch hét visitekaartje van een hotel, te maken. Contact is belangrijk, contact met de gasten. Brazilianen zijn gek op een praatje voor de vaak. Dat gebeurt niet, de ontbijt-medewerkers hebben er geen zin in, sjouwen wat af en aan en daar blijft het bij. Een ´ontbijt-manager` kan het Biss Inn zeker gebruiken. Aan die functie kan ik invulling geven. Als het personeel tenminste meewerkt. Daar zet ik na de eerste uurtjes al vragen bij. Vragen die snel worden beantwoord.
Maandag vroeg op, voor de wekker. Aan goede zin ligt het niet. Punctueel half zes, het is nog donker, stap ik het hotel binnen. Direct naar de keuken, waar ik van de hulp opdrachten krijg wat ik moet warm maken in de magnetron en waar ik dat warm gemaakte moet zetten. Deze pasteitjes op anderhalve minuut zetten, dan zijn ze goed. Na die anderhalve minuut toch eentje proeven. Nog bevroren van binnen. Dertig seconden meer, dan zijn ze wel goed. Ik loop de ontbijtzaal in en kijk onder de tafel waar ik het vuil heb verstopt. Bingo, het ligt er nog. In het nieuwe dagrapport. Na afloop van het ontbijt tap ik de twee sapcentrifuges af. Bij één loopt het sap niet meer door. Mijn collegaatje, een stugge en onvriendelijke jongen, wijst me erop dat ik het slangetje moet doorprikken, dan komt het goed. Ik pak een tandenstoker en prik in het slangetje. Ik haal de tandenstoker terug. Pikzwart, gadver. Maar inderdaad, het sap loopt weer door. De personeelschef vraagt weer of ik echt niet eerder kan beginnen. Neen. Het klimaat wordt er zo niet vriendelijker op. Dit gaat verkeerd, maar we gaan stug door. Op de zwarte thermokannen staan geen stickers. Ik zie van verre toe hoe gasten elkaar aanstoten. ´´Weet jij in welke warme melk en in welke warm water zit?`` In het dagrapport. Het moet echt allemaal anders.
Dinsdagochtend begint met redelijke paniek. Biss Inn Hotel heeft drie conferentieruimtes en twee ervan zijn afgehuurd. Tientallen gasten nuttigen in één conferentiezaal een geïmproviseerd ontbijt. Dat zorgt voor verwarring. De ontbijtzaal moet tijdig op orde en in een aanpalende conferentiezaal moeten ook pasteitjes en sapjes en broodjes tijdig op lange tafels worden gezet. De twee sapcentrifuges in de ontbijtzaal verdwijnen halverwege het ontbijt en verhuizen naar de conferentiezaal. Geen sap meer. Tien minuutjes later duiken twee open kannen vol met sap op in ontbijtzaal. Gelukkig, weer sap. Maar niet koud. Geen ijs. Fout. Want Brazilianen drinken sapjes, frisdrank en bier ijs- en ijskoud en koffie daarentegen erg heet. Daar is niet aan te tornen.
Ik blijf wat langer deze dag, verricht hand- en spandiensten. Stapel vieze borden op en breng ze naar de keuken. De grote baas komt langs. Samen met een andere man. Hij steekt zijn hand op en roept dat we later eens moeten praten. Het is een mededeling die onprettig aanvoelt. Ik denk meteen: oeps, ik heb hier mijn langste tijd al gehad. Het blijkt een waarheid als een koe. Nog geen uurtje later, in de bus, hangt die personeelschef aan de lijn. Met mijn telefonische ontslagbrief.
Doet het pijn? Verdriet? Frustraties? Neen. Een beetje misschien. Ik ben op een verkeerd tijdstip en op een verkeerde manier begonnen. Vanaf de eerste minuut is dat duidelijk. Thuis bel ik Edward op. Die goeie kerel kan er niks aan doen. Het gaat hier nu eenmaal zo, zegt hij, en beaamt dat de manier waarop er met mensen wordt omgegaan uiteraard uit den boze is. Ik haal mijn schouders op. Het is jammer. Ik wens Edward sterkte en we spreken af om komende zondag samen met onze vriendinnen een biertje te drinken. Ik zal hem zeker even vragen wie voor mij in de plaats is gekomen. En of die tafellakens met gaten zijn verwisseld. En of dat scheve tafeltje eindelijk weg danwel gerepareerd is. Afkicken heet dat.
Topstuk medelander! En helaas er is nog niet veel veranderd hier! Bel je zaterdag/zondag!
BeantwoordenVerwijderenHi Norbert,
BeantwoordenVerwijderenHoe kan ik de hier levende Nederlanders vinden buiten jouw blog om???
Hen je een mobiel of zo....?
of is het gewoon samen in een barzinho afspreken?
groet geraldo
Hé Gerarldo. Via InterNations. Mijn emailadres is brugje@hotmail.com Stuur me eens een berichtje, stuur ik je een uitnodiging. Van harte welkom.
BeantwoordenVerwijderenNorbert jongen, ik heb je zo dikwijls gezegd dat je geen vuil onder de tafel moet vegen. En toch doe je het weer.
BeantwoordenVerwijderenHopeloze toestand. Je hebt het nog lang vol gehouden!
BeantwoordenVerwijderenLeuke blog maar ik zou de beste Edward nog maar eens vragen wat zijn echte achtergrond is...
BeantwoordenVerwijderen